vraaggericht zijn vraagt om flexibiliteit

Vraaggerichte & inclusieveervaringsdeskundige uitoefening van wijkwerk is vanuit gemeentelijk beleid gezien innovatief-

Ik heb behoefte aan voorspelbaarheid. Zo, dat heb ik gezegd, Het klopt dan ook. Als ik heel eerlijk ben, voel ik mij het meest prettig bij een bepaalde mate van voorspelbaarheid; het bij voorbaat weten wat ik kan verwachten. Daar kan ik immers op participeren, mijn leven op richten, plannen op maken en uitkomsten op genereren.

Helaas…het is een illusie. Heel veel situaties in het leven zijn niet meer te vangen in voorspelbaarheid en totale, absolute planning. We kunnen niet langer uitgaan van standaard processen die van A naar B lopen en oorzaak leidt niet automatisch meer tot gevolg 1 tot 2. Misschien is dat wel nooit zo geweest, maar we hebben lang baat gehad bij het vasthouden van procedures die ons het idee gaven dat het in ieder geval zo ging. Zowel wijkbewoners als ook werkers in het veld nemen daar geen standaard genoegen meer mee.

De vraag is uiteraard hoe je dan plannen en afspraken maakt. Hoe kun je verwachtingen omtrent resultaten uitspreken en omschrijven wanneer de vraaggerichte ondersteuning in de wijk  bijna het tegendeel vereist, namelijk inspringen op de situaties die zich in het hier-en-nu voordoen?

Ad-hoc versus geïmplementeerd

Een gemeente verwacht van organisaties die met ervaringswerkers werken dat zij een plan maken inclusief te verwachten resultaten en dit moet uiteraard ook verantwoord worden. Dit verwachten ze van iedere organisatie die ze subsidie verlenen en dat is logisch. Naast de vraag hoe je resultaten van de inzet van ervaringswerk meet, met name op het herstel en de participatie van wijkbewoners met een (O)GGz achtergrond, ligt daar ook nog de bijna conflicterende vraag hoe je sowieso een voorspellende voortgang kunt meten waar men vraaggericht werkzaam is.

Bijvoorbeeld: Er zijn plannen gemaakt voor een wijk om de bewoners effectief te helpen activeren en er zijn een vijftal middelen aangeboden waar zij kunnen aansluiten om voor zichzelf en samen herstelondersteunend en bovendien participerend deel te nemen in de betreffende wijk. Er zijn ervaringswerkers beschikbaar, financiele middelen, concrete ruimte, facilitatie, maar bewoners ‘happen’ niet. Er lijkt geen behoefte te zijn of men (h)erkent die behoefte niet.

In een andere wijk daarentegen is er veel behoefte, verlangen, vraag. Dit staat niet in de plannen, afspraken en de te verwachten resultaten van de gemeente. Hiervoor is geen specifieke subsidie verleend. Maar hier ligt dus een – adhoc – vraag naar datgene wat de organisatie kan bieden.

Dat is de onvoorspelbaarheid, de beweging die ervaringswerk in de wijk genereert. Hoe gaat de gemeente daar mee om? Is de gemeente in staat daar op in te spelen; ruimte aan te geven?

Het is een spanningsveld. We hebben het nodig om een richtlijn te formuleren, waar we ons aan kunnen optrekken. We willen niet met alle winden meewaaien. We hebben behoefte aan een bepaalde mate van doelgerichtheid. Tegelijkertijd realiseren we ons dat de dagelijkse realiteit weerbarstig is en we bovendien volop in beweging zijn. De burger wil inspraak en zeggenschap en heeft tegelijkertijd behoefte aan leiderschap. Eigenlijk kun je het niet vaak goed doen.

Wel ben ik er steeds weer van overtuigd dat we de vraaggerichtheid niet uit het oog mogen verliezen. Juist door onze menselijke behoefte aan controle is het volgens mij zo belangrijk om steeds maar weer te blijven luisteren: wat wil de wijk? Wat wil de bewoner? En wat is nu, op dit moment, de belangrijkste vraag?

Advertenties